23 november. Miljoenen pelgrims verwacht voor relieken Jezuïet
De schedel van Sint Agnes van Rome, te zien in de Sant'Agnese fuori la mura-basiliek, waar ze gestorven zou zijn
Een jezuïtische missionaris die al ruim viereneenhalve eeuw dood is, kan nog steeds veel mensen op de been brengen. Het gebalsemde lichaam van missionaris Franciscus Xaverius, die in 1622 heilig werd verklaard, werd in een glazen kist in processie van zijn crypte in de Dom Jesus Basiliek in de Indiase stad Goa naar een andere plaats gebracht waar hij tot 4 januari te zien zal zijn. Franciscus was een van de eerste Jezuïeten, een orde die werd gesticht in 1534, en bracht het christendom naar vele gebieden in Azië. Uit die landen, uit Spanje, waar hij vandaan kwam, en uit India worden miljoenen pelgrims verwacht.
Vanaf het vroege christendom zijn de (vermeende) stoffelijke overschotten van heiligen steeds een grote trekpleister geweest voor een stad. Het Heilige Land zelf was voor toegewijde gelovigen in Europa vaak te ver weg, en de stad Rome, waar door keizer Constantijn opgerichte monumenten met de overblijfselen van de heiligen Petrus en Paulus al in de 4e eeuw te bewonderen waren, werd een van de eerste alternatieve bedevaartsoorden.
Na Petrus en Paulus en Jezus zelf kwamen er steeds meer heiligen bij, waarvan men eveneens uit ging dat het lichaam of losse lichaamsdelen ervan ook na hun dood aanbidding meer dan de moeite waard maakte. Een beroemd bedevaartoord reeds sinds begin van de 9e eeuw is bijvoorbeeld Compostella in Spanje, waar het lichaam van de apostel Jacobus zich zou bevinden.
In de loop van de Middeleeuwen steeg het aantal plaatsen waar men claimde lijken of lichaamsdelen van heiligen, gebruiksvoorwerpen, kledingstukken, of andere dingen die in aanraking gekomen waren met grote namen als Jezus en Maria, maar ook mindere goden, in bewaring te hebben. De reliekenhandel werd in de Middeleeuwen een lucratieve bezigheid, want de kerk of het klooster (en de stad) waarvan men dacht dat er iets zo heiligs als een vingerbotje van een bepaalde heilige te zien was, kon behoorlijk profiteren van de grote toestroom van pelgrims. Niet alleen op de plek zelf kon het economische effect van bezit van een relikwie groot zijn, maar ook in de plaatsen die op de route naar het bedevaartsoord lagen.
Dergelijke mogelijke voordelen zorgden ervoor dat er vanaf de vroege Middeleeuwen al sprake was van fraude en neprelieken, waarvoor de kerk ook al waarschuwde. Kerkvader Augustinus waarschuwde tegen nepmonniken die rondtrokken en deden alsof ze overblijfselen van heiligen bij zich hadden, en ook Karel de Grote vaardigde een wet die, die aanbidding van dubieuze heiligdommen moest tegengaan.
Naast lichaamsdelen, waarvan er soms ook onnatuurlijk veel in omloop waren, waren er ook voorwerpen die vereerd werden. Een voorbeeld is het Ware Kruis, waaraan Jezus gestorven zou zijn. Er waren in de Middeleeuwen zoveel stukken hout van het kruis in omloop, dat de kerkhervormer Johannes Calvijn, die een hekel had aan deze in zijn ogen afgoderij, opmerkte dat er genoeg hout van het kruis overgebleven was om een heel schip mee te bouwen. Als je zou kijken naar vermeende botten en lichaamsdelen van heiligen zou je op sommige momenten in de Middeleeuwen hele elftallen van gestorven heiligen weer in elkaar hebben kunnen zetten.