New Post has been published on In de hemel is wél bier !
New Post has been published on http://blog.ikbenindehemel.nl/index.php/2015/08/05/de-palestijnse-staat/
Zefanja, hoofdstuk 2. Vers 1 – 7.
Doorzoek uzelf nauw, ja doorzoek nauw, gij volk, dat met geen lust bevangen wordt!
Eer het besluit bare (gelijk kaf gaat de dag voorbij), terwijl de hittigheid van des Heeren toom over ulieden nog niet komt; terwijl de dag van de toom des Heeren over ulieden nog niet komt.
Zoekt den Heere, alle gij zachtmoedigen des lands, die Zijn recht werken!
Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult gij verborgen worden in den dag van den toom des Heeren.
Want Gaza zal verlaten wezen, en A’skelon zal ter verwoesting wezen; Asdod
zal men in de middag verdrijven, en Ekron zal uitgeworteld worden.
Wee den inwoneren van de landstreek der zee, den volken der Cherétim!
Het Woord des Heeren zal tegen ulieden zijn, gij Kanaän, der Filistijnen land! En Ik zal u verdoen, dat er geen inwoner zal zijn.
En de landstreek der zee zal wezen tot hutten, uitgegraven putten der herders, en betuiningen der kudden.
En de landstreek zal wezen voor het overblijfsel van het huis van Juda, dat zij daarin weiden; des avonds zullen zij in de huizen van A’skelon legeren, als de Heere, hunlieder God, hen zal bezocht, en hun gevangenis zal gewend hebben.
Wat we vinden, in dit hoofdstuk is, volgens wat er boven staat, ‘Bedreigingen tegen verschillende volkeren’.
Dat mag dan zo wezen, maar die volken worden toch wel tamelijk nauwkeurig gespecificeerd en het eerste volk, tegen welke dan deze bedreigingen geuit worden, is het volk dat woont te Gaza, volgens vers 4, en wat woont in Askelon, Asdod en Ekron, vier plaatsnamen achter elkaar in vers 4.
Daarna wordt het genoemd de inwoneren van de landstreek der zee, de volken der Cherétim. Wat dat ook wezen mag, want daar bestaat nogal wat verschil van mening over. In ieder geval de landstreek der zee en daarmee heet het Kanaän en vervolgens heet het der Filistijnen land en daarna wordt gezegd Ik zal U verdoen enz.
In vers 7 wordt met nadruk gezegd dat dat land vervolgens gegeven zal worden aan het overblijfsel van het huis van Juda. Deze profetie staat bovendien met grote nadruk in verband met wat genoemd wordt in vers 2 : ‘de hittigheid van des Heeren toom’, vervolgens heet het: ‘de dag van den toorn des Heeren’ en aan het einde van vers 3 heet het eveneens: ‘den dag van den toorn des Heeren’.
Dat het daarbij dus gaat om de dag des toorns ‑ een betrekkelijk vaste uitdrukking ‑ en dat het gaat om de dag des Heeren, lijkt mij een duidelijke zaak. Beide uitdrukkingen worden hier dan ook gecombineerd, iets wat op andere plaatsen trouwens ook voorkomt, zoals wel drie uitdrukkingen van deze aard met elkaar worden verbonden.
Als we lezen in Openbaring 6, dan lezen we daar, dat ter gelegenheid van het einde van de 70′ week van Daniël, zo wordt het daar helemaal niet genoemd hoor, daar lezen we dat ter gelegenheid van de verduistering van zon, maan en sterren, en dat is aan het einde van de 70e week van Daniël, nou ja, volgens Mattheüs 24 in elk geval, dat bij die gelegenheid de mens in het algemeen en vooral de machtigen, de koningen der aarde, enz. een schuilplaats zullen zoeken tussen de bergen, in de kloven der steenrotsen, of hoe het maar heten mag.
Een uitdrukking die tot mijn verbazing ook vele malen in de Bijbel voorkomt, is de uitdrukking daar in Openbaring 6: ‘Bergen valt op ons, en heuvelen bedekt ons, enz. en bescherm ons, verberg ons voor het aangezicht des Heeren’.
Ik zou geen reden weten waarom die bescherming ook niet daadwerkelijk zou plaatsvinden en waarom het gelovig overblijfsel
inderdaad niet een toevlucht zou zoeken in de kloven der steenrotsen, temeer daar deze term ‘kloven der steenrotsen’ in de
Bijbel gewoonlijk genoemd wordt ‑ heel expliciet ‑ in verband met het gebied van Edom, en dus Paran, Petra en al die dingen waar we het al vaker over gehad hebben dus daar ga ik nu niet verder op in.
Het is dus de dag des toorns. Het is tegelijkertijd het aanbreken van de dag des Heeren, want in Openbaring staat: ‘Zon, maan en sterren worden verduisterd en dan begint de dag des toorns (laatste verzen van Openbaring 6) en in Joël 2 wordt gezegd dat zon, maan en sterren verduisterd worden voordat de dag des Heeren komt. In Mattheüs 24 staat: ‘zon, maan en sterren verduisteren terstond na de verdrukking van die dagen’ en dus terstond na de drie en een half jarige verdrukking over het Joodse land, in de tweede helft van de 70e week van Daniël.
De gedachte is dus, om de dingen weer even snel op een rijtje te zetten, dat in de tweede helft van de 70e week van Daniël het oordeel van de Heer komt over een ongelovige Joodse staat en stad. Het loopt uit op de verwoesting van Jeruzalem, maar nog veel meer wordt verwoest.
Bovendien verschijnt bij die gelegenheid de Heer zelf. Men zegt wel verschijnt, maar eigenlijk moet je dat voorvoegsel weglaten, dan wordt het: schijnt de Heere’, want Hij is de enige die dan schijnt, omdat zon, maan en sterren zullen verduisterd worden. De hemel zal verduisterd worden en dan zal in de hemel schijnen het teken van de Zoon des mensen en Hij zal komen op de wolken des hemels en Hij zal zijn voeten zetten op de Olijfberg, een gescheurde Olijfberg bij die gelegenheid, en een gelovig overblijfsel uit Juda, in het bijzonder uit Jeruzalem, zal dan dus kunnen vluchten uit Palestina, uit Jeruzalem naar de woestijn.
Op dat moment eindigt niet de verdrukking. Op dat moment begint officieel de verdrukking, het oordeel Gods, de dag des Heeren, dat is het oordeel des Heeren. Dat begint dan over de volkeren der aarde met ingang van diezelfde gelegenheid. De Bijbelse gedachte is kennelijk, dat vanaf dat moment in de eerste plaats een oordeel zal komen over Edom, dan ook Egypte, ‘Vervolgens over Libanon (Tyrus en Sidon) en over Syrië. Dat zijn zo ongeveer de buurlanden. Moab trouwens ook, maar dat valt buiten dit Schriftgedeelte en behandelen we op dit moment niet.
Waar het nu wel om gaat, is dat bij diezelfde gelegenheid volgens deze profetie, een oordeel van de Heer zal komen over de Filistijnen. Het oordeel gaat naar de Filistijnen.
Deze lange inleiding was om aan te geven dat deze profetie op geen enkele wijze kan worden beschouwd als vervuld in het verleden. Het is best mogelijk dat deze profetie in het verleden een of andere toepassing gehad heeft en dat er gebeurtenissen zijn geweest in het verleden, die aanleiding waren voor deze profetie.
Hetzelfde geldt voor de profetieën over de val van Jeruzalem. Per slot is het al verscheidene malen gebeurd.
Hetzelfde geldt ook voor het oordeel over Edom. Petra of Sela is al verscheidene malen ingenomen door andere volkeren, enz.
Waar het om gaat is dat hier in dit Schriftgedeelte met grote nadruk gesproken wordt over de komst van de dag des Heeren, de komst van de dag van de toorn des Heeren, enz.
Het gaat dus inderdaad over de gebeurtenissen die zullen plaatsvinden in de toekomst.
Wat ons het meest zou moeten opvallen in dit Schriftgedeelte, is het verschijnsel dat er een oordeel zou komen over de Filistijnen in de dagen van de wederkomst van Christus.
Als je dit honderd jaar geleden gezegd zou hebben, dan had je met een probleem gezeten. In onze dagen niet, want Filistijnen wonen in Filistea, of anders gezegd Palestijnen wonen in Palestina.
Dat is nu geen enkel probleem, want men is hard bezig met de opbouw van wat inmiddels al bestaat, namelijk een Palestijnse Staat !
Ongeveer honderd jaar geleden was het eerste zionisten‑congres in Basel, maar toen hadden de zionisten zelf nog niet eens het idee dat ze die staat, die ze nastreefden, wilden vestigen in Kanaän of in Palestina, ze hadden nog andere stukken land in gedachten, want Kanaän leek hen te moeilijk. Zo sterk was hun binding met dat land ook niet, want zionisten waren bepaald niet religieus. Ze hadden dus geen religieuze binding met dat land of met heilige plaatsen.
Niettemin, als men de Bijbelse profetieën serieus genomen zou hebben, dan zou men tot de conclusie komen, ook 100 jaar geleden, dat er dus weer zo’n ongelovige Joodse staat zou moeten komen, want de Bijbel spreekt erover. De Heer kan onmogelijk een oordeel brengen over een ongelovige Joodse staat, als zo’n staat niet bestaat. Dat is eigenlijk het belangrijkste argument op grond waarvan men in het verleden moest concluderen dat er zo’n staat zou komen.
Dat deed men ook, ik kan het u zwart op wit laten lezen in boeken van meer dan 100 jaar oud. Waar men de Bijbel serieus nam, geloofde men dat ook.
Mijn punt is nu, dat als de bijbel spreekt over een oordeel over der Filistijnen land, dan betekent dat ‑ ook 150 jaar geleden ‑ dat er dus weer een land der Filistijnen zou moeten zijn. Een land waar Filistijnen wonen en zelfs, als het even kan, een Filistijnse, zelfstandige staat. Anders kan het niet in het oordeel komen, het moet er zijn, anders gaat het niet.
Hetzelfde geldt trouwens voor nog wat andere landen in het Midden-Oosten, want veel van die landen zijn pas ontstaan door en
dus sinds de eerste wereldoorlog. Jordanië is ook niet ouder dan dat.
Op grond van de Bijbelse profetie, waaronder deze van Zefanja 2, kon geweten worden dat er ooit weer een keer zo’n Palestijns volk op een of andere wijze zou verschijnen. Hoe, dat was moeilijk te zeggen, natuurlijk. Een ongelovige Joodse staat, dat kun je voorzeggen. Dan kun je zeggen: “De Joden zullen op een of andere wijze initiatief ontwikkelen om zo’n staat te vestigen en dat zal hen kennelijk lukken”, maar waar je zo gauw Palestijnen of Filistijnen vandaan haalt, dat kon je niet weten.”
De (wrange) grap is: terwijl de Joodse staat ontstond, ontstond dus ook de Palestijnse. Het gebeurde iets later, maar het gebeurde naar aanleiding daarvan.
Als er geen Joodse staat ontwikkelt zou zijn en tot stand gekomen zou zijn in 1948, dan zou er nu niet een Palestijnse staat bestaan, maar hij bestaat inmiddels en op dit moment vinden er onderhandelingen plaats tussen de Joodse staat en de Palestijnse staat.
Beiden zullen echter geoordeeld worden. Te vrezen is bovendien, dat beiden dezelfde hoofdstad zullen hebben, officieel, althans voor korte tijd, hooguit drie en een halfjaar, maar zeker geen zeven jaar. Niettemin blijft Gaza de belangrijkste stad van de Palestijnen en dat is het ook inderdaad.
De aardigheid is nu, wij kennen uit de oudtestamentische geschiedenis het land der Palestijnen, dat heette ook Palestina, of Filistea, afhankelijk van in welke taal het op je kaart staat.
Dat is inderdaad dat gebied, wat wij nu de Gaza‑strook noemen. Dat is heel stom, want men heeft het hele land Palestina genoemd.
Hoe noem je nu het gebied waar de Palestijnen vroeger woonden, de Filistijnen, in de oudtestamentische geschiedenis? Palestina, zult u zeggen, maar dat kan niet, die naam hebben we een andere betekenis gegeven, dus nu heet het de Gaza‑strook. Genoemd naar Gaza, de belangrijkste stad, eigenlijk de hoofdstad van het gebied.
Het is de kuststrook aan de zuid‑westzijde van het land, op de route naar Egypte. Het ligt zo’n beetje tussen de grens van Egypte en de grens van Kanaän in, de grens van het tegenwoordige Israël.
In de oudtestamentische geschiedenis lezen wij steeds opnieuw over de vijf steden der Filistijnen en dus ook over de vijf koningen, want wat wij een burgemeester noemen, heette vroeger een koning. Ze worden in de geschiedenis nogal wat keren vermeld.
Die vijf steden waren: Gaza, Askelon, Asdod, Gath en Ekron. Ik heb er vroeger niet uitgebreid bij stilgestaan, maar ik heb me er wel eens over verbaasd dat in de profetieën nooit meer dan vier steden der Filistijnen genoemd worden.
Dat is ook het geval hier, in Zefanja. Daar staat namelijk in vers 4: Gaza, Askelon, Asdod en . Dat zijn er vier, de vraag is nu: waar is nummer vijf?
Dit is vrij gebruikelijk in de bijbel. Als er vijf zijn, is er meestal één van de vijf zoek, één van de vijf daar is iets mee. Daar gaat het nu niet om, maar het is wel opmerkelijk.
De vraag is natuurlijk, waarom in de profetieën die vijfde stad niet genoemd wordt. Dat is heel eenvoudig, hij bestaat namelijk niet meer.
Die andere vier steden die bestaan wel, zodat het inderdaad in onze dagen onmogelijk is dat er verwoesting komt over Gath. Dat is namelijk nergens voor nodig, Gath is al verwoest, al kan men niet meer met zekerheid de locatie aanwijzen.