Rare instelling?
Nee, dan Jantje die voor de zevende keer te laat komt aan slenteren bij de training. Een diepe zucht en hoofdschudden van de trainer.
“Kom op, Jantje, even opschieten dan kun je de warming up nog mee doen.”
Jantje kijkt even op en slentert nauwelijks merkbaar sneller verder. Nog een trainerzucht. Trainingsjack moet nog uit. Veters van de schoenen nog weer wat strakker.
Dan sluit Jantje aan bij de rest van de groep. Kan hij nog net één keer met de groep mee heen en weer. Als hij dan stopt, maant de trainer om ook de andere vijf keer nog alleen te doen.
Terwijl de groep gaat rekken, loopt Jantje zijn warming up. Maar de trainer is het eigenlijk wel zat. Waarom is die jongen toch steeds te laat? Waarom komt hij niet in vliegende vaart, plat liggend op zijn stuur aan fietsen? Waarom komt hij zo aan sjokken? Terwijl hij lekker mee kan komen en eigenlijk boven gemiddeld presteert. Tijdens de oefeningen straalt hij ook vreugde uit.
Iets klopt er niet. De trainer besluit om hem op zijn instelling te gaan aanspreken. Want zo’n slappe, rare instelling is niet goed. Niet goed voor het team. Niet goed voor Jantje. En niet goed voor het gevoel van de trainer. Als Jantje niet wil, wil de trainer hem ook niet.
Maar gaat het wel om de instelling? Misschien zijn er wel andere omstandigheden. Problemen thuis of op school. Het is gevaarlijk om zo maar aannames te maken.
Advies aan de trainer is om eerst maar eens te gaan vragen waarom hij de laatste keren zo laat op de training komt. Pas als de oorzaak duidelijk is, dan kan hij hem er op aanspreken. Of hij kan hulp bieden bij het oplossen of verzachten van problemen.










