Zomaar, wham
Het is 1992. Ik lig in bed en vraag me af hoe het onvermijdelijke te vermijden is.
Ik ben 7 jaar en zit in groep 4 van de St. Ludgerus in Loenen aan de vecht. Ik heb een hele leuke klas met veel vriendjes en vriendinnetjes en de leukste juf ooit.
We wonen in Loenen in een rustige straat met fijne buren. Mijn allerbeste vriendinnetje woont een blok huizen verderop.
Ik zit op turnen en mij hobby's zijn verder vooral knutselen en met mijn Barbie' spelen. En stiekem mama's make-up uitproberen.
Ik doe iedere dag mijn eigen haar, omdat ik vind dat papa en mama het niet snappen en het vaak pijn doet als ze mijn krullen willen borstelen.
Boven mijn bed hangt een plank vol boeken, die ik soms op volgorde zet van groot naar klein of op kleur sorteer.
En terwijl ik in bed lig denk ik: ' wanneer de drukkerij zou afbranden, hoeven we niet te verhuizen'.
Een winter daarvoor speel ik bij het gasfornuis met bierviltjes die ik rangschik naast de kookpitten, terwijl Poeke, onze zwarte poes, rond mijn benen kroelt.
Ik kan niet goed bij het aanrecht, ik ben nog te klein, dus ik moet op mijn tenen staan.
Ik draag een donkerblauwe synthetische trui, een maillot in dezelfde blauwe kleur een een rood rokje met een schotse ruit.
Ik leg een volgend bierviltje neer en vervolgens herinner ik me even niks.
Ik sta in de woonkamer. Mijn ouders kijken schaatsen Falco Zandstra en Johan Olaf Kos. Mijn moeder kijkt me aan en springt op en rent naar me toe. Met haar vingers grijpt ze naar mijn mouw en ontneemt met haar handen alle zuurstof van de daar ontstane brandhaard.
Lauwe douche, naar de dokter, zalf, verband, kous en een brandwond die uit zal monden in een litteken op mijn rechtermouw. En een angst voor vuur, vuurwerk, lucifers, gourmetstellen op spiritus en vele andere aan vuur gerelateerde zaken.
Ik hou van muziek. Ik weet hoe ik cd's in de cd speler kan aanzetten en luister cassettebandjes in mijn walkman. Een my first Sony. De bandjes van Kinderen voor kinderen zijn favoriet. En vuur en vlam is mijn lievelingsnummer.
Het in 1995. We wonen in oudenbosch. Ik ben in de drukkerij en sta met mijn broertje bij keuken.
Hij steekt met het grooste gemak een lucifer aan. Ik vindt dat ik dat nu toch ook maar eens moet kunnen. Heel voorzichtig strijk ik de zwavelkop langs het doosje. En nog eens. En nog eens. Tot de kop vlam vat.
Het is 24 november 2016. Ik ben op mijn werk. Ik heb net de laatste les gegeven van die dag en kijk op mijn telefoon terwijl ik naar boven loop voor een kop thee.
Alleen maar appjes en gemiste gesprekken. M'n broertje. Vriendinnen. Ik stop. Ik lees.
Die plek die ik in het najaar van 1992 zo verafschuwde staat in brand. Die plek die niet alleen letterlijk even mijn thuis is geweest, toen we er in de zomer van 1993 woonden, maar zeker figuurlijk. Toen ik er met vriendinnen van de basisschool speelde en spooktochten organiseerde op de donkere zolder. Toen in er in de begintijden van het internet heen fietste om te msn-en en mijn mail te checken. Toen ik er met vriendinnen onze act voor de caranavalsoptocht voorbereidde en er na de optocht pizza aten en schrobbelèr dronken. Toen ik er mijn afstudeerfeestje gaf. Toen ik er zomers lang als bijbaantje vergaarde, de administratie deed, platen ontwikkelde, de muren verfde......
Zomaar wham, in vuur en vlam.













