Onze ruzie van vorige week lijkt gedoofd, of toch wanneer we zwijgen. Wanneer zij spreekt, hoor ik het nog gloeien in haar woorden.Â
‘In vier of in zes?’ ze kijkt me aan en ik weet het juiste antwoord niet. ‘Doe maar in zes,’ helpt mijn vader. Mijn moeder neemt het grote mes en snijdt de taart in twee gelijke helften. Wanneer ze dat doet, zie ik dat haar ogen zich vullen met onzekerheid. Ze twijfelt, in verwarring gebracht door het antwoord van mijn vader en de mening in haar eigen hoofd. Als mensen haar overtuigingen niet blindelings volgen, raakt mijn moeder geïrriteerd. Vader gaf het foute antwoord, ze snijdt de taart nogmaals doormidden. Wanneer ze dat doet, verglijden bananenstukjes als in een lawine. Ze zucht.Â
‘Krijg ik je bordje?’ haar hand reikt mijn richting uit. ‘Nee dank je, voor mij niet,’ zeg ik, ‘ik lust geen bananen.’ Ze laat haar uitgestoken hand weer rusten op de tafel. Ook haar ogen gloeien nog na.Â
Een paar tellen lang kan dit tafereel alle kanten opgaan. Mijn zoontje komt tussenbeide. ‘Hier oma, mijn bordje. Ik lust heel graag bananen. En slagroom.’ Mijn moeder glimlacht naar het kind en schept een stuk taart op. Ook mijn vader krijgt met de glimlach zijn deel van de bananentaart. Zelf pakt ze het derde stuk.Â
Op de taartschaal ligt nu nog één stuk. Het mijne. Moeder, die net ging zitten, veert weer recht, grijpt kordaat mijn bord. ‘Wie lust er nu geen bananentaart?’ zegt ze en schept het laatste stuk op mijn bord. Dat bord, met een prominent stuk bananentaart en smeltende slagroom, schuift ze voor mijn neus. ‘Dat heeft geld gekost.’