Een onbepaalde vissentand
Een vistand van de Kaloot
Verstopt onder de rook van de kerncentrale te Borssele ligt een klein stukje dynamische kust met een strandje waarop door de Westerschelde grote hoeveelheden fossielen uit Cenozoïcum worden afgezet. Het merendeel van deze fossielen -voornamelijk schelpen, knoken en haaientanden- stamt uit het Laat-Plioceen, maar zeker niet alles. Naast het Pliocene spul is en een scala aan jongere en oudere fossielen te vinden, uiteenlopend van Pleistocene korfmossels tot een Oligocene krabben al dan niet compleet. Met als kopstuk de imposante tand van de Megalodon. Dientengevolge en omdat het 3 kilometer lange strandje vrij toegankelijk is, is de Kaloot erg in trek als vindplaats. Tenminste, bij anderen!
Zelf ga ik nooit meer naar de Kaloot. Een keer heb ik me door het ‘vinderslatijn’ laten verleiden het te bezoeken en dat was genoeg. Ik had goede hoop er prachtige fossielen te vinden. Maar dat verliep anders. In plaats van met een tas vol fossielen keerde ik die dag geïntimideerd en gedesillusioneerd door de schaduw van de kerncentrale en het omringende Sloegebied al binnen een uur met een een lege tas huiswaarts. Dit trok ik niet. In mijn hand hield ik de enige vondst van het kortstondige bezoek: een klein ovaalvormig ‘steentje’ waarvan ik het vermoeden had dat het wel eens een fossiel kon zijn.
Het fossiel dat ik op de Kaloot vond (11 mm).
Na ampel onderzoek bleek het gevonden object een tand van een vis. Een maaltand om precies te zijn. Helaas heb ik, ondanks dat gelijkende tanden in diverse verhandelingen* zeer specifiek gedetermineerd worden, tot op heden niet met zekerheid weten vast te stellen welke vis de voormalige eigenaar was.
Net als mensen hebben vissen tanden. Maar in tegenstelling tot mensen, gevallen van hyperdontie buiten beschouwing gelaten, beperken deze tanden van vissen zich doorgaans niet tot een rij in de boven en onderkaak. Vaak staan de tanden in meerdere rijen in de kaken en soms wordt zelfs de hele kaak bedekt. Zelfs de vissen die ogenschijnlijk geen tanden hebben -neem de goudvis- zijn voorzien van tanden. Deze tanden staan dan niet in de boven of onderkaak maar op een set extra kaken achter in de bek. De zogenaamde faryngeale* kaken.
Links de mondelinge kaken en rechts de faryngeale kaken van een kabeljauw.
Over de vorm van vissentanden kunnen we kort zijn, die zijn namelijk zeer uiteenlopend. Van scherpe en puntig tot bolvormig, met daartussenin een haast oneindige variatie. En deze variatie doet zich niet alleen voor tussen verschillende soorten maar bestaat ook binnen de bek van individuen. Het determineren van het vissentand is dan ook een uiterst riskante bezigheid. Een fout is namelijk zo gemaakt. Let maar op.
Onbepaalde kegelvormige vissentanden (langste 7 mm)
Onbepaalde bollevormige vissentanden (2 mm)
Onbepaalde ovaalvormige vissentanden (15 mm).
Onbepaalde tandvormige vissentanden (5 mm)
Keeltanden van waarschijnlijk een karperachtige (5 mm)
Mijn op de Kaloot gevonden tand werd kort na het vinden door een ervaren verzamelaar gedetermineerd als een maaltand van Eocene Pycnodus sp. Als bewijsvoering werden er een aantal sprekend gelijkende tanden getoond. Determinatie voltooid dacht ik.
Niet veel later vond ik tussen de Westerschelde schelpen nog een drietal van dit soort tanden. Volgens verzamelaar ter plaatse waren deze tanden van een Pliocene lipvis. Toen ik dit nazocht, bleek dat heel goed mogelijk. De tanden kwamen overeen en bovendien lag Plioceen in de Westerschelde iets meer voor de hand dan het Eoceen van de Pycnodus. Ik herzag mijn determinatie naar lipvis (Labridae)
Een verzameling vissentanden van de Zandmotor (grootste 15 mm).
Toen ik vervolgens op de Zandmotor bij Ter Heijde waar de vondsten doorgaan Pleistoceen of Holoceen van ouderdom zijn nog eens een aantal van deze tanden vond, kwam de determinatie weer op losse schroeven te staan. Zeker omdat ik daar ook een kaakfragment met daarin soortgelijke tanden vond. En dat stukje kaak wist ik aan de hand van een vis op mijn bord te determineren als een afkomstig van een zeebrasem. Welke, laat ik voor alle zekerheid in het midden. (Sparidae).
(sub)fossiel fragment van een bovenkaak van een Zeebrasem (Sparidae)
Recent fragment van een bovenkaak van een goudbrasem (Sparus aurata)
Recent fragment van de onderkaak van een goudbrasem (Sparus aurata) de tanden vertonen veel overeenkomsten met die van mijn vondsten.
Nu zou u kunnen denken dat ik de tanden vervolgens determineerde als Sparidae. Maar dat deed ik niet. Ondertussen weet ik wel beter. Voor een determinatie moet je namelijk zeker zijn. En dat is hier niet mogelijk. Doordat: de ouderdom van de tanden niet valt te bepalen, er diverse kandidaten zijn die als voormalig eigenaar kunnen worden aangewezen en er op basis van morfologisch kenmerken geen uitsluitsel valt te geven welke soort er is . In ieder geval niet door mij. De tanden gaan dus de verzameling in als maaltanden van een beenvis (Teleostei). Met als toevoeging dit verhaal.
Achter de mondelinge kaken en middenvoor de faryngeale kaken van een goudbrasem (Sparus aurata). Let op de diversiteit aan tanden.
Over tandplaten van Pycnodus
Enige resten van (waarschijnlijk) lipvissen uit het Plioceen van Kallo (België)