ℕ𝕒𝕊𝕜𝕖𝕣𝕚𝕒𝕒𝕟𝕤
Vandaag heb ik geleerd. Zo leerde ik vandaag hoe ik de voorgaande zin moet ontleden en wat een bijwoordelijke bepaling (ook alweer - al kan ik me niet herinneren het ooit geleerd te hebben) is. Ook leerde ik dat je als baby, zelfs in de buik, het verschil kan horen tussen je moedertaal en een vreemde taal, door klanken, klemtonen, melodie en andere kenmerken. Later leren we dit weer af én aan.
Het is duidelijk dat ik een lesje, of twee zelfs, Nederlands gevolgd heb vandaag (wist je dat “vandaag” een bijwoordelijke bepaling is in deze zin?). Het mooie van mijn werk is namelijk dat ik ook heel veel bij andere docenten in de les mag en kan zijn. Zo krijg ik de kans om anders naar mijn onderwijs maar ook dat van anderen te kijken, meer mee te krijgen van de wereld van de leerling én als het mij gegeven is samen met mijn camera de docent uiteindelijk weer een stapje verder te brengen in de eigen ontwikkeling. Ik hoop dus dat ik niet alleen wat geleerd heb vandaag maar met mij ook de docent en de leerlingen iets leerden.
Terwijl ik rondloop door het lokaal, kijkend naar posters die uit het niets ontstaan over moedertaal, besluipt mij de gedachte dat we in onderwijs ook onze moedertaal hebben. Mijn vaktaal is duidelijk anders dan die van deze docent Nederlands, zonder dat we daar veel bij stilstaan óf last van hebben.
Ondertussen zitten in het lokaal 17 leerlingen en het eerste wat ze op de poster schrijven is hun moedertaal in grote letters. Als ik snel tel kom ik al gauw op negen verschillenden geschreven, van Antilliaans tot Turks, van Braziliaans tot Vlaams, van Arabisch tot Pools, van Portugees tot Surinaams. En Nederlands natuurlijk niet te vergeten. De “taalbarrière” in vaktaal staat mij en mijn collega niet in de weg in onze communicatie en leerproces, net zoals het verschil in moedertaal deze leerlingen hun onderlinge verhoudingen niet tegengaat. We hebben namelijk voldoende gemeenschappelijke taal, met mijn collega’s de onderwijstaal, tussen de leerlingen Nederlands, en zo verstaan we elkaar dus allemaal.
Terwijl ik hierover mijmer gaan de leerlingen verder met hun poster. Op het digitale bord prijkt de volgende vraag: “wat vind je het mooiste woord in jouw moedertaal?”. Jeetje, wat was ik blij dat ik in het lokaal van 28 graden Celsius niet zat te zwoegen op dit dilemma. Wie heeft er ooit bij deze vraag stilgestaan? Ikke niet in ieder geval!
Wat vind ik het mooiste woord? In het Nederlands, in onderwijstaal of in het “NaSkeriaans” (zoals ik het in mijn lokaal altijd noem)? Ik kom er niet uit, terwijl de leerlingen hun antwoorden vlug neerpennen. “69”, “mi lobi you”, “lul”, “gamen”, “geld”, “Mac” en “aardbei” verschijnen op de grote vellen. Ik glimlach en denk “puber”, dat is toch het mooiste woord wat er bestaat? Met een knipoog natuurlijk, zoals bijna alles wat ik zeg en schrijf.
Wat vind jij het mooiste woord, in je moedertaal, in het Nederlands, in jouw vakgebied of in het onderwijs? Ik hoor ze graag en wie weet leer ik zo weer wat bij, net zoals bij de bijwoordelijke bepaling.








