Het afgelopen jaar zijn er dagen geweest dat ik niemand had om tegen te praten. En waar ik dacht dat op een gegeven moment het “gewoon” wel zou gaan wennen, maar dat heeft het nooit gedaan.
Als je je stem niet kan gebruiken en de muren op je afkomen, komen er wel andere dingen voor in de plek. Woorden komen op papier of worden gezegd in de stilte waarin, alleen het tikken van de klok terug praatte en het klonk alsof de echo’s van de muren mijn eigen pijn gewoon weer terugkaatste en het weer diep doordrongen in mijn huid kwam te zitten.
Als niets meer werkt om woorden weg te laten zweven kwamen ze op mijn huid waarnaar het zich na dagen vormt tot een litteken en het riedeltje gewoon weer vanaf het begin begon.
Een cirkel valt niet te doorbreken als je geen voorwerpen kan verkrijgen om het te kunnen doorbreken.
Ook al lijkt het soms of ik eraan gewend ben geraakt, denk ik elke dag weer precies eraan hoe onwennig het is om soms dagen niks te zeggen.
Niets van wat ik als noodzakelijke vervanging heb gevonden is zo fijn als gewoon tegen een ander persoon te kunnen praten.
En vaak denk ik, misschien komt het ook gewoon door mijzelf dat ik niemand heb om tegen aan te praten. Want ik laat die deur van mijn huis ook altijd dicht met de sleutel 2 keer gedraaid.
En ik hoor de begeleiding al door mijn deur mompelen: wie zwijgt, stemt toe.
Alsof ik door passiviteit mijn muren dubbel en dik dichtgetimmerd heb en daardoor de mensen in de kou laat staan. Het is namelijk altijd al zo geweest dat ik mezelf op de laatste plek neerzet en de zorg voor een ander boven mezelf verkies.
Maar ik besef mij dat ik er niet bij hoor, dat ik niet besta in deze wereld en dat ik mij ook nooit zal gaan kunnen conformeren aan die mensen hier of aan de maatschappij die de lat zo hoog heeft liggen.
Ik heb mijn eigen lat al zo hoog gelegd, dat die latten van de begeleiding of de maatschappij de doorgang daaronder alleen nog maar meer hebben dichtgetimmerd.
Sommige dagen ben ik ook gewoon enorm bang dat mijn stem weg zal zijn gegaan. Ik probeer dan maar wat te praten in het niets en van de woorden zinnen te maken. Maar woorden worden geen zinnen meer. Het stopt na een woord keer op keer.
Het boek is (bijna) uitgeschreven en het enige wat nog is overgebleven is de punt van het eind van het leven. waar nog geen kans voor is geweest dat ik, de schrijver, het eindpunt van de laatste bladzijde had neergeschreven.
Het boek komt misschien dan ook nooit tot een eind. Want ik was eigenlijk al 10 jaar geleden neergestreken. Toen als 9 jarig meisje was ik eigenlijk al kapot op en uitgestreden. Haar stem was toen al vervaagd in de echo’s van de mensen die om haar heen krioelden.En toen was ik eigenlijk al lang niet meer aan het leven.
Ik was verdwenen en aan het leven in het leven van vreemdelingen.