De Schaduw Prins
Daar stond Julie dan. In de ontvangkamer van het koninklijke paleis. Op een dik zacht rood tapijt, omsingeld door sierlijke zetels met gouden leuningen waarin ze niet durfde te gaan zitten. Gigantische schilderijen hingen aan de muren, elk van hen duurder dan al het geld dat Julie in haar hele leven zou verdienen. Een bijzonder goed getrainde poedel zat op een gouden kussen in de hoek en staarde haar nieuwsgierig aan. Vlak voor haar was een bezorgde butler zenuwachtig aan het ijsberen.
“Ik kan het niet geloven! Niet geloven!” Mopperde de butler. “De koning en koningin zijn naar het buitenland en de prins doet dit! Dit is ongehoord!”
Julie voelde zich verschrikkelijk ongemakkelijk. Het was haar schuld dat de butler zo overstuur was. Zij had hem een crisis gegeven door hier binnen te wandelen.
“Zomaar bezoek uitnodigen zonder mij te verwittigen. En dan nog een meisje! En dan nog een meisje van zo’n lage stand! Wat een schande!”
“Het spijt me.” Mompelde Julie verlegen. “Ik kan weg gaan…”
“Nee! Geen sprake van!” Gilde de butler. “Als de kroonprins u uitnodigt dan kan ik u niet wegsturen! U zal hier blijven, en exact doen wat de prins van u wilt! Wat dat dan ook moge zijn. O hemeltje! Wie heeft u binnengelaten?”
“Die rosse man met zijn snor.”
De butler zuchtte. “Welke rosse man met zijn snor?! Wie?! Wat was zijn functie?”
Julie hield verlegen haar schouders op.
“Ongelooflijk! Dit hele paleis zou nog uit elkaar vallen zonder mij!”
De butler stopte met ijsberen en bekeek Julie eens van top tot teen.
“Zo kan u de prins niet ontmoeten.” Zei hij.
“Waarom niet?” vroeg Julie.
“De prins is een lid van de koninklijke familie, jij naïef kind!” Zei de butler. “U denkt toch niet dat u met die kledij hier mag rondlopen?!”
“Maar… dit is mijn mooiste jurk.” Zei Julie gekwetst.
“Kan zijn, maar de koninklijke familie is wel wat beter gewend. Ik zal u een andere jurk geven. En schoenen. Misschien een ketting of zo. En iemand moet uw haar… redden. Eén momentje alstublieft, ik moet twaalf verschillende mensen naar hier krijgen om te helpen met uw gelaat in orde te brengen.”
De butler liep tot aan een gouden telefoon die aan de muur hing en begon er nummers in te drukken.
“Oké.” Mompelde Julie. Dit was niet zoals ze zich deze uitstap had voorgesteld.
Dan hoorde ze een tikkend geluid. Een net geklede man kwam de kamer binnen. Hij was ook een butler, want hij droeg dat zelfde uniform. Maar hij droeg ook een zonnebril en tikte over de vloer met een blindenstok.
“Julie?” vroeg de man toen hij binnenkwam.
“Eh… ja?” zei Julie. Ze kende deze man niet.
De man glimlachte en stapte met uitgestrekte hand op haar af.
“Ah! Dat verklaart. Horace heeft u hier verstopt.” Zei hij terwijl hij Julie de hand schudde.
“Artuur, u bent op de hoogte van dit bezoek?” Vroeg de andere butler met een hand op de telefoon.
“Natuurlijk Horace.”
“Dat had ik kunnen weten!” zei Horace, en hij smeet de hoorn terug in de haak. “Dit hebt u gedaan! U hebt de prins geholpen met deze jonge dame uit te nodigen.”
“Maar natuurlijk Horace. Ik ben de persoonlijke butler van de prins. Ik doe alles dat hij vraagt.”
“Alles dat hij vraagt?! U hebt hem aangemoedigd om dit te doen!”
De blinde man hield zijn schouders op. “Misschien een beetje. Maar het initiatief kwam van de prins.”
“Dit is niet goed, Artuur!” zei Horace. “U weet goed genoeg wat voor een gevaar dit is!”
“Wat? Deze charmante jonge dame is een gevaar?” vroeg Artuur geamuseerd, wijzend met zijn stok naar Julie.
“Wat als ze straks praat tegen de journalisten en meer akelige verhalen over de koninklijke familie doorvertelt?!”
“Wel nee. Julie zou niet durven, toch?”
“Eh… Nee dat zou ik niet doen.” Zei Julie snel.
“Is onze arme jonge kroonprins al niet genoeg door het slijk gehaald?” zei de kwade butler melodramatisch. “De kranten beschrijven hem al als één of ander verwrongen monster, dat verstopt moet worden uit schaamte!”
“Kom nu, Horace. U toont weinig vertrouwen in de beslissingen van uw prins.”
“Dat is omdat ik luister naar de strikte wensen van mijn koning! Zijn vader zou nooit willen dat er achter zijn rug één of andere… Julie het paleis binnenkomt!”
“Nou. Dat is te laat nu.” Zei de blinde lachend.
“En het valt u misschien niet op, Artuur, maar deze jonge dame ziet er niet uit! Zo had ze hier nooit mogen binnen komen!”
“Ach de prins is praktisch zo blind als ik. Ik betwijfel ten zeerste dat hij zich er aan zou storen.”
“En al het personeel dan? En wat als de koning en koningin er ooit achterkomen? Zouden zij niet willen dat de prins op zijn minst met een deftige dame afsprak achter hun rug?”
“Hey!” zei Julie boos.
De twee mannen keken haar aan.
“Oh.” Zei Julie. “Niets… Ik ging niets zeggen.” Zei ze dan snel.
“Kom nu Horace. Bent u niet blij dat de prins eens gezelschap heeft?” zei de blinde butler dan.
“Nee.” Zei de andere butler kortaf.
Er was een korte stilte.
“Nu ja. Een beetje.” Gaf de butler dan toe. “Maar Artuur, wat als de koning en koningin er achter komen?! Wat als de pers er achter komt?! Wat als de pers er achter komt en de koning en koningin er zo weet van krijgen! Ik werk hier graag Artuur!”
De blinde man legde plechtig een hand op zijn hart.
“Horace als er ook nog maar iets gebeurt, neem ik de schuld op.” Zei hij.
“Hm.” Knorde Horace.
“Laat het maar gewoon aan mij over.”
“Alsof ik een keuze heb.” Zei Horace.
Hij knikte even naar Julie en verliet dan de kamer.
“Zo.” zei de blinde butler. “Daar zijn we van af. Ik ben Artuur, de persoonlijke butler van de kroonprins. Loopt u eventjes met me mee? Dan breng ik u naar hem toe.”
Julie wandelde verlegen met de blinde butler mee. Door de prachtig versierde gangen, langs de schilderijen van oude plechtige mannen die Julie niet kende.
“Ik wou geen problemen veroorzaken.” mompelde Julie.
“Ach, maakt u zich geen zorgen. Ik heb uw gedicht gelezen. Ik weet dat u hier welkom bent.”
Julie bloosde.
“Vond u het goed?” vroeg ze.
“Natuurlijk! Het is goed. Het heeft de poëziewedstrijd gewonnen of niet soms?”
Julie onderdrukte een trotse glimlach.
“En de prins heeft ook een aantal van je brieven naar hem met mij gedeeld.”
Julie keek verast op. Haar kop werd zo rood als een tomaat. De blinde man moet haar schaamte hebben opgemerkt want hij zei:
“Ach maakt u zich geen zorgen. De prins heeft maar een paar stukjes voorgelezen aan mij. Ik weet dat hij de beste stukjes voor zichzelf hield. Hij las ze opnieuw en opnieuw. Ik heb de prins nog nooit zo gelukkig geweten.”
Julie lachte verlegen.
“Bent u claustrofobisch?” vroeg de butler dan.
“Nee. Waarom?”
“U bent toch op de hoogte van de prins zijn aandoening?”
“Ja. Hij is allergisch voor zonlicht, toch?”
“Niet alleen zonlicht.” Legde de butler uit. “Al het licht. Ook kunstmatig licht. Het is een vreselijke maladie. De prins zijn huid is zo zacht dat elk licht er dwars doorheen brand. Daarom woont hij alleen in de noordelijke vleugel van het paleis. De donkere vleugel. Alle ramen zijn er dichtgebouwd en er brand nooit een lamp, tenzij voor een beperkte tijd in een bepaalde kamer als er een kuisploeg aan het schoonmaken is.”
“Dat klinkt zo eenzaam.” Zei Julie. “Alleen in het donker.”
“Ja.” Zei de butler somber. “Ik denk dat hij daarom uw gedicht zo graag las. Maar hij is nooit echt alleen hoor, Julie. Hij heeft mij en hij is een echte boekenworm. Hij leest constant en zijn bibliotheek is bijzonder indrukwekkend. Al zal u de boeken niet kunnen zien.”
“Hoe leest hij in het donker?” Vroeg Julie zich luidop af.
“De Prins leest uitstekend braille.”
“Mijn brieven waren niet in braille geschreven.” Zei Julie.
“Alle brieven naar de prins worden omgezet naar braille voor hem.”
Julies hoofd werd weer rood van schaamte.
“Iemand heeft al mijn brieven moeten vertalen voor de prins?!” Vroeg Julie gegeneerd.
“Wel nee. Vandaag doet de computer dat. De prins zijn privacy is van hoog belang. Hier zijn we.”
Ze stonden voor een grote versierde dubbele deur. Ironisch genoeg stond er een gouden zon op.
“Het zijn twee deuren - hierna is er nog één – en ze werken als sluizen. Eerst gaat u door de eerste en dan doe ik die dicht. Dan gaat u door de tweede. Alleen zo kan er geen licht binnenkomen. De prins heeft me gevraagd om jullie alleen te laten dus ik vrees dat onze wegen hier scheiden.”
De butler opende de deur voor Julie. “Ziet u de tweede deur?” vroeg hij voor Julie naar binnen stapte.
“Ja.” Zei Julie.
“Onthoudt waar de hendel is want die moet u zelf open doen nadat ik deze deur sluit. Het zal heel donker zijn. U moet alles op de tast doen. Maar ik verzeker u dat het wel went. De duisternis is uw vijand niet en u hoeft niet bang te zijn. Als u echt verdwaalt daarbinnen hoeft maar luid genoeg te roepen en kom ik u verlossen. Maar u zal ook de prins ontmoeten en hij zal ook helpen. Goed?”
Julie knikte en stapte de donkere ruimte binnen.
“Tot straks Julie.” Zei de butler, en hij sloot de deur.
Alles was onmiddellijk pikzwart en stil. Julie zag niets en hoorde alleen haar eigen adem terwijl ze de hendel van de tweede deur zocht. Ze vond het en opende de deur. Niets veranderde. Achter de tweede deur was nog een duistere leegte waarin Julie niets zag. Met haar handen voor zich uitgestrekt stapte ze voorzichtig de volgende kamer in. Maar ze realiseerde zich hoe de kamer waarschijnlijk zo groot was als alle andere kamers in het paleis. Er was geen kans dat ze per ongeluk ergens tegen zou lopen. Ze moest er wel belachelijk uit zien in het licht.
Na een voorzichtige afstand de nieuwe kamer in te stappen, gaf Julie op.
“Prins?!” vroeg ze aan de duisternis. “Bent u hier?”
Achter haar werd de tweede deur gesloten. Julie schrok van het geluid. Ze draaide zich om.
“Ja Julie. Hier ben ik. Bij de deur.” Klonk een zachte stem dan.
“O.” zei Julie.
“Het is even wennen om blind te zijn.” Zei de prins. “Maar je hoeft niet bang te zijn. Ik zal je helpen. Neem mijn hand.”
Een hand reikte uit de duisternis en nam Julies hand vast. Zijn hand was warm en zijn huid was zachter dan zijde.
“Heb je mijn laatste gedicht gelezen dat ik je gestuurd heb?” vroeg de prins.
“Ja!” zei Julie. “Het was prachtig!”
Ze voelde hoe de prins in het donker glimlachte.
“Kom mee. Ik breng je naar mijn bibliotheek. Er is een boek waaruit ik je een stukje wil lezen. Ik hoop dat je het leuk vindt.”
Hand in hand en met luid kloppende harten verdwenen de twee in de duisternis.














