Amsterdam CS
‘O ja, de stad is natuurlijk niet van iedereen. Nu mag je alleen nog voorbij de poortjes als je genoeg geld op je kaart hebt staan.’ Jelle liep naar de automaat. ‘Waarom is de NS ooit geprivatiseerd? Dan had je dit soort problemen niet. Stompzinnig winstbejag is het,’ riep hij naar ons. Hij had beet: een verveelde stadswacht. ‘Als het je niet bevalt moet je maar oprotten.’ ‘Oké meneer, ik doe al rustig.’ Hij draaide zich naar me om. ‘Ga ik het doen, Max?’ ‘Maak het nou niet te moeilijk voor ons’, zei ik. ‘Nee, je hebt gelijk.’ Ik wist dat hij het ging doen. Hij had wat gedronken en wilde zien hoe ver hij kon gaan. Ik kende hem langer dan vandaag. We liepen langs die autoriteitsgeile eikel van de handhaving, die al een stijve pik kreeg van het naderende akkefietje, en openden de poorten met onze kaartjes. Al na de eerste stap stak Jelle zijn rechterhand, met OV-kaart vooruitgestoken, gestrekt in de lucht en riep uit volle borst: ‘sieg heil!’











